Het Franse lidwoord: le, la, l', les, un, une, des
Het Franse lidwoord hangt af van het woord: le bij een mannelijk woord, la bij een vrouwelijk woord, l' voor een klinker of stomme h, en les in het meervoud. Een is un (mannelijk) of une (vrouwelijk); in het meervoud zeg je des.
| de / het | een | |
|---|---|---|
| mannelijk | le garçon | un garçon |
| vrouwelijk | la fille | une fille |
| klinker of stomme h | l'ami, l'école, l'hôtel | un ami, une école |
| meervoud | les garçons, les filles | des amis |
Mannelijk of vrouwelijk?
Dat moet je per woord leren. Leer een woord daarom altijd mét lidwoord: niet maison, maar la maison. Een paar vuistregels helpen: woorden op -tion zijn meestal vrouwelijk (la passion), woorden op -ment meestal mannelijk (le moment).
Het meervoud
Bij les en des krijgt het zelfstandig naamwoord meestal een -s, die je niet uitspreekt. Let op: in het Nederlands zeg je in het meervoud vaak geen lidwoord, in het Frans wel. Vrienden = des amis.
Il of elle, ook bij dingen
Met il / ils verwijs je naar een mannelijk woord, met elle / elles naar een vrouwelijk woord. Ook bij dingen: Où est la tour Eiffel ? Elle est à Paris. Où est le collège ? Il est là-bas.
Oefen jezelf
Denk eerst zelf na, tik dan op de vraag voor het antwoord.
___ maison (het huis, vrouwelijk)
la maison.
___ école (de school)
l'école: école begint met een klinker.
___ garçons (de jongens)
les garçons: meervoud is altijd les.
Hoe zeg je: een jongen
un garçon: garçon is mannelijk.
Hoe zeg je: vrienden (niet: de vrienden)
des amis. In het Frans staat er in het meervoud wél een lidwoord.
Où est la tour Eiffel ? ___ est à Paris.
Elle: la tour is vrouwelijk.
Verder oefenen voor je toets?
Op Studeerhub staat het vak Frans (brugklas, Unité 1): leerdoelen met uitleg, steeds nieuwe oefenvragen met nakijken, en overhoren. €5 voor 2 weken.
Bekijk het vak